Andere tijden Varsity – ‘Tritons laatste overwinning’

Erik Hartsuiker

Welk nummer stond er op nummer 1 in 1967? ‘Ben ik te min’, van Armand. Na bijna 50 jaar zonder Varsity-overwinning dreunt dat nummer vandaag de dag door de hoofden van menig Tritonees. Is Triton misschien te min geworden voor de Varsity? De redactie hoopt van niet. We nemen u vandaag mee naar 1967, Tritons laatste overwinning. Dit is ‘Andere Tijden Varsity’.

In ’67 zit Nederland in de lift. De littekens van de Tweede Wereldoorlog helen langzaam maar zeker. Babyboomers zijn begin twintig: men werkt, een enkeling studeert. De ergometer moet nog worden uitgevonden en van het woord ‘wingrigger’ heeft nog nooit iemand gehoord.

Triton heeft de jacht geopend op het gouden Varsity-blik. In ’66 grijpt het Utrechtse donkerblauw naast de overwinning op het Hoofdnummer. In ’67 krijgen ze een nieuwe kans, die ze met beide handen aangrijpen. Erik Hartsuiker maakt deel uit van deze historische ploeg.

Tegen meneer Hartsuiker durft de redactie bijna niet meer te beginnen over die tijd. Hij heeft al zo veel vragen gehad de afgelopen jaren. Wie had toen kunnen vermoeden, dat er een droogte zou ontstaan van bijna een halve eeuw? (volgend jaar is het 50 jaar geleden, red.)

Ieder jaar wordt Hartsuiker gevraagd naar de anekdotes van vroeger en mag/moet hij opdraven op het Varsity-diner op Triton. Ieder jaar hetzelfde verhaal bij gebrek aan nieuwe winnaars.

Het mag een klein wonder heten dat Hartsuiker de redactie nog te woord wil staan. Maar dan toch: één laatste keer, speciaal voor jullie, Erik Hartsuiker:

“De Jaren ’60 waren zonder meer een andere tijd. Het roeien leefde veel meer dan het nu doet. Het was vergelijkbaar met de Europa Cup. Destijds fietste er iedere training in de week voor de ‘Varsity’ wel een journalist mee. Eens per jaar was het ‘journalistendag’ en dan waren er wel zes of zeven aanwezig.

In de kranten stonden paginagrote voorbeschouwingen, daar kan je je nu niks meer bij voorstellen. In zo’n voorbeschouwing werden wij in ’67 als één van de favorieten beschouwd. In ’64 had Triton nog gewonnen en in ’65 en ’66 waren we finalist.

In die tijd werd er ontzettend hard getraind naar Oost-Duits voorbeeld. ‘Miles make champions’, (wie Miles is, weten we niet, red.) werd er wel eens geroepen. Trainingen duurden vaak erg lang, maar dat was niet zonder resultaat. Met Triton wonnen we in binnen- en buitenland.

Ik kan me bijvoorbeeld herinneren dat we de Duisburg Regatta wonnen in de twee zonder. De Duitse pers schreef lovende stukken over onze techniek. Ik zat altijd in de boot met Bernard Jansen, we hebben alles zo intensief met elkaar beleefd. Een twee zonder bij elkaar houden is minstens zo moeilijk als het bij elkaar houden van een huwelijk.

Voor de Varsity werden Jansen en ik vergezeld door Dronkert, Rouwé en stuur De Ruiter. Van de race kan ik me niet veel meer herinneren. Het ligt aan de drank op het feest na afloop, en de tijd die er overheen is gegaan.

Ik kom nog bijna ieder jaar op de ‘Varsity’. Om mijn ploeggenootjes van toen te zien en om te hopen op een overwinning van Triton. Dat krijgen ze maar niet voor elkaar. Die ene jongen (Kaj Hendriks, red.) heeft nu al tig keer in de boot gezeten. Dat houdt natuurlijk ook een keertje op.

Wanneer er een nieuwe overwinning komt? Ik weet het niet. Het duurt maar elf minuten….”