75 jaar vrijheid | De Varsity in tijden van oorlog: door roeien en ruiten?

75 jaar vrijheid | De Varsity in tijden van oorlog: door roeien en ruiten?

Tekst door Annelies Hommes

Op 5 mei 2020 herdenken we het beëindigen van de Tweede Wereldoorlog, 75 jaar geleden. We vieren dat we sindsdien in vrijheid leven, maar staan ook stil bij de mensen die grote offers hebben gebracht bij het bevechten van die vrijheid. Onder hen valt Marinus Spillenaar Bilgen, die eens de Varsity verroeide – én won. Niet te voorzien was dat zijn medekampioen en roeikameraad Meinoud Rost van Tonningen dertig jaar later eerder vijand dan vriend zou blijken te zijn. Een tijd waarin tevens geen Varsity meer werd verroeid, althans, niet in Nederland. Twee verhalen uit dezelfde oorlog, waarin verbroedering zijn uiterste grenzen toont.

 

 

Eens een roeikameraad, altijd een roeikameraad? 

Het verhaal van een verzetsheld en een collaborateur die samen het gouden Varsity-blik trokken

In mei 1914, het jaar dat de Eerste Wereldoorlog in Europa uitbrak, werd de Varsity verroeid op de Delftse Schie. De euforie is groot wanneer de Oude Vier van de Delftsche Studenten Roeivereeniging Laga met maar liefst een bootlengte verschil wint van hun Leidse equivalent Njord. Onder toeziend oog van de grote menigte toeschouwers vindt de huldiging van de winnende boot plaats, bestaande uit onder meer Marinus Spillenaar Bilgen en Meinoud Rost van Tonningen. Een opmerkelijk tweetal, zo ontdekte roeihistoricus Johan ten Berg tijdens zijn onderzoek naar de geschiedenis van de Varsity: ten tijde van de overwinning twee ploeggenoten die samen streden voor het ‘hoofdnummer’, dertig jaar later twee tegenpolen in strijd tegen elkaars idealen. Een schril contrast in een bittere tijd.

Beide roeiers slaan na hun studententijd een eigen weg in. Na het afronden van zijn studie in Delft, werkt Spillenaar Bilgen zich op tot directeur van de Papierfabriek Gelderland in Nijmegen. Wanneer de Tweede Wereldoorlog aanvangt, waarin Nederland diens voormalige neutraliteit verliest, sluit Spillenaar Bilgen zich aan bij het verzet. Zijn positie binnen de papierfabriek maakte het mogelijk om grote partijen papier te leveren aan drukkerijen die de illegale verzetskranten Ons Volk en Trouw drukten. Ook bood hij financiële steun aan onderduikers en illegale werkers. 

Als gehuwd man en vader van vier kinderen, nam Spillenaar Bilgen zo min mogelijk risico. Kleinzoon Ernst Jan Spillenaar Bilgen vertelt: “Hij deed alles in het geheim, wat elke verzetsman deed in die tijd. Zo beschermde je je familie. Stel dat zij het wisten en zouden worden verhoord, dan was de kans groot dat zij onder druk van de Duitsers zouden bezwijken. Hoe minder zij wisten, hoe beter.” Het mocht niet baten. Begin augustus 1944 werd zijn grootvader na verraad opgepakt door de Duitsers en overgebracht naar de gevangenis in Arnhem. 

 Vanuit de gevangenis deed Spillenaar Bilgen, zich bewust van hetgeen hem stond te wachten, een beroep op zijn vroegere roeikameraad Rost van Tonningen. Laatstgenoemde had het bij Laga tot de rol van president weten te schoppen en zette het leiderschap in zijn verdere leven voort. Hij groeide in de jaren voor en tijdens de Tweede Wereldoorlog uit tot de beruchte voorman van de Nationaal-Socialistische Beweging. In deze hoedanigheid onderhield hij contact met nazikopstukken als Himmler en Hitler. David Barnouw omschrijft Rost van Tonningen in zijn biografie als een ‘radicaal nationaal-socialist’, ondersteund door het volgende citaat: “Een nationaal Socialistische Beweging kan alleen slagen, als zij de pioniers van het volk verovert en daarvoor moeten harde middelen gebruikt worden, daarvoor moeten de dingen bij hun naam genoemd worden.”

 De poging van Spillenaar Bilgen om met Rost van Tonningen in contact te komen bleef onbeantwoord. Nadat hij was overgebracht naar concentratiekamp Vught, werd Spillenaar Bilgen aldaar op 4 september 1944 gefusilleerd. Mogelijk is zijn noodkreet nooit aangekomen, mogelijk had de ploegband zijn waarde verloren. 

 

De Varsity van 1943: ‘roeien’ op Java

 Vijf dagen voor de inval van de Duitsers in Nederland, vond op 5 mei 1940 voor het eerst de Varsity op het Amsterdam-Rijnkanaal plaats. Na 75 jaar wordt de Varsity nog altijd op diezelfde plaats verroeid. Althans, op een vijfjarige onderbreking ten tijde van de oorlog na. In het gedenkboek ter ere van het 100-jarig bestaan van de Utrechtsche Studenten Roeivereeniging Triton wordt het volgende geschreven: 

Wanneer de vijand in 1941 ook het studentenbestaan gaat bedreigen, wordt het te gevaarlijk geacht een Studentenwedstrijd te organiseren. De N.S.R.B. wordt formeel geliquideerd, maar al haar activa en ervaring worden door de roeivereniging Minerva te Amsterdam overgenomen en beheerd tot het einde van de oorlog. Varsities bestaan er in die jaren niet, tenminste niet in Holland.” 

Op Hemelvaartsdag 1943 werd met uitzonderlijke goedkeuring van de kampcommandant namelijk wel degelijk een Varsity verroeid – of liever: gespeeld – in een krijgsgevangenenkamp op Java. Op een vijf meter lange tafel tekenden de gevangenen een baan van vlakken die dienden als afstandsaanduiding voor het dobbelspel, er werden kartonnen bootjes op bamboe voetjes in elkaar geknutseld en een ter gelegenheid van de wedstrijd gevormd orkest was de hele voorafgaande middag bezig om de liederen van de verschillende verenigingen te repeteren. De deelnemers (Njord, Laga, Triton, Nereus, Aegir en Argo) maakten zich klaar voor een wedstrijd zoals deze nog nooit verroeid was, wat resulteerde in een daverende strijd. De daarbij aanwezige J.C. Abendanon omschreef de unieke gebeurtenis als volgt:

Onder ondraaglijke spanning vond de loting voor de boeien plaats en roeiden de ploegen op naar de start. Direct na het ‘af’ nam Laga de leiding en schitterende ‘roeiend’ behaalde deze ploeg het meeste voordeel in de start. Maar haastige spoed is zelden goed, zo bleek, want toen Laga onder luid gejuich van zijn supporters op de finish afsnelde, riep de handicap-bepaling op nummer 29 de ploeg een halt toe aan deze triomphantelijke zegetocht en Laga moest zijn beurt 4 maal voorbij zien gaan. Njord benutte deze kans onmiddellijk, passeerde Laga en ging als eerste over de finish. Het gejuich der Leidenaars duurde eindeloos voort, het Njord-lied weerklonk, meegezongen door het gehele Njord-kamp en hun vreugde kende geen grenzen.”  

De festiviteit werd afgesloten met een eenvoudige doch voor die tijd grootse maaltijd van bruine bonen met spek, een kop koffie en een eigengemaakte sigaar. Niet de kroegjool zoals we die vandaag de dag kennen, maar de vreugde zal ongetwijfeld gelijkwaardig zijn geweest. Het geënsceneerde Varsity-spel bood een moment om voor even los te komen van alle ellende en die te vervangen voor verbroedering. Zo merkte Abendanon op “hoe onverbrekelijk de banden zijn, die gelegd worden door het roeien in het algemeen en in het bijzonder door het roeien der studenten en hoe trouw een ieder is gebleven aan de aloude tradities van de Varsity”. 

Hoewel in groot contrast met het vervolg op de Varsity van 1914, het jaar dat Spillenaar Bilgen en Rost van Tonningen wonnen, zal menig (studenten)roeier zich beter herkennen in dit laatste door Abendanon omschreven gevoel – de Varsity winnen doet men tenslotte niet alleen. Er wordt niet enkel uit eigenbelang, maar ook voor de eigen vereniging gestreden voor de winst. Die winst wordt gezamenlijk gevierd, maar bovenal viert men de Varsity. En laten we vooral niet vergeten dat wij de aloude tradities van de Varsity vandaag de dag in vrijheid mogen beleven.